D’n dodendraad

20 september 1927

De hele ochtend de biecht afgenomen. Niet veel bijzonders. Vanmiddag was ik bij de deken voor overleg. Hij heeft me toegezegd dat hij mijn plannen voor de aanbouw bij de kerk aan het bisdom zal voorleggen. Hij zag het wel zitten, maar het zal waarschijnlijk jaren duren voor men de financiën vrij kan maken. Ik denk erover om direct contact op te nemen met monseigneur Diepen.

Pastoor Schippers legt zijn pen neer en laat zich achterover in de stoel zakken. Zal hij nog iets opschrijven over de vrouw die hij vanavond in de kerk tegen kwam?

Ze was een van de vele Vlamingen die na de oorlog in Eindhoven kwam wonen vanwege de banen bij Philips. Een verwarrend verhaal en hij weet niet zeker of hij alles wel goed heeft begrepen. Het was iets met haar echtgenoot die in de loopgraven van Diksmuide om was gekomen en dat ze toen getrouwd was met de weduwnaar van haar vriendin die met een zoontje van vijf was achtergebleven toen die vriendin aan de Dodendraad om het leven was gekomen. Ze voelde zich aan alle kanten schuldig, dat was hem wel duidelijk. Misschien had ze het idee dat ze haar vriendin had moeten redden. Heel verdrietig, maar de oorlog is allemaal al weer lang geleden. Men kan dat beter niet oprakelen. Toen ze dus voor de derde keer over haar liefde voor die vrouw was begonnen, had Schippers zijn geduld verloren en stuurde hij haar naar huis. Al die hysterie!

Hij schrijft verder:

Vandaag 21 nieuwe inschrijvingen, waaronder de tweeling van Habets. Ik kreeg twee sigaren cadeau toen ik op huisbezoek ging.

‘Hoe kan iets, da’ zo hemels is, zondig zijn?’ Leen ligt naast me en streelt mijn buik.

Ik leg mijn hand op haar mond. ‘Efkes nie. ‘Ik wil der niet aan denken. Niet aan nen hemel en niet aan nen hel.’

Ze lacht en neemt me in haar armen. ‘Kom drink wa, m’n boeleke.’

Mijn mond vult zich met haar volle borst en ik krul mijn tong rond haar tepel. Haar koele hand kruipt over mijn buik naar beneden; naar mijn benen die zich als vanzelf voor haar spreiden. Alles in mij hunkert naar haar.  Een diepe kreun als haar vinger zich heel voorzichtig een weg naar binnen werkt, en dan de tweede en de derde. Dan trekt ze haar hand tergend langzaam terug en komt bovenop mij liggen. Ook mijn handen vinden hun weg over haar welvingen. Laat dit eeuwig duren! Dan voelen mijn vingers in haar natte binnenste een siddering die zich door onze lichamen verspreidt. Alles spant en dan …

‘Au! Nee! M’n kuit!’

Verschrikt rolt Leen van me af. ‘Wad is’t?’

‘Au, miljaardedju!’

‘Strekken! Gij, ga tegen den muur staan en strekt uw been naar achter!’ Ze trekt me het bed uit en zet me tegen de muur. ‘Zo!’

Als de pijn verdwenen is, kijken we elkaar aan en vallen lachend weer op bed.

‘Straffe Gods!’ zeg ik. Opeens is het niet zo lachwekkend meer. ‘Kunnen we nog zo voortgaan?’

‘Wilt ge stoppen omda’ ge kramp in uwe kuit hebd? Denkt ge werkelijk da dad iets mee God van doen heefd. Geloof me, iedereen heeft wel is ne kramp. Het is da’ ge gene kleine hebt gehad, anders hadde gij dit al is eerder ervaren. En ge wild al gelijk niet zeggen da kinders bekomen nen doodzonde is?’

‘Nee, da’s nie, maar …’

Leen pakt mijn hoofd en duwt haar voorhoofd tegen het mijne. Ze kijkt me strak aan. ‘Nu wil ik u eens en vooral zeggen da’ g’uweigen niet schuldig moet voelen. Gij kost er niets aan doen da Toon op moest komen.’

‘Maar hij hield werkelijk van mij en ‘kik …’

‘… hield niet van hem’, vult Leen mijn zin aan. ‘Hij mocht u dankbaar zijn, voor ne paar hemelse maanden. Da ’t er zo weinig zijn geweest, is niet uw fout.’

‘Het is ne zonde, gelijk wij doen.’

‘Volgens de kerk wel. Maar wie zegt dat den diejn ’t bij ’t recht’eind heefd. Wat weet ne pastoor van de ware liefde? Als er ne God bestaat dan is da zeker en vast niet de God die de kerk heeft geschapen. ‘Kik kan nie geloven da God het monopolie van de man is. Ach. Laten we hierover ophouden. Nog tien minuut en dan moet ‘kik werkelijk terug.’

25 september 1927

Vier missen gedaan. Het evangelie van Mattheus 20: de gelijkenis van de arbeiders in de wijngaard die allemaal – of ze nu lang werken of kort – dezelfde denarie krijgen. Ik heb het gehad over de wil van God die voor ons mensen vaak willekeur lijkt.

Schippers gaat staan en rekt zich uit. Hij pakt de doos met Havanna’s van zijn bureau en ruikt aan de sigaren. Het wordt vanavond een van de exemplaren die Habets hem gaf. Hij knipt hem en zet zich in zijn fauteuil. Na de eerste trekjes, leunt hij behaaglijk achterover.

Hij heeft nog naar haar uitgekeken, maar zag haar pas na de hoogmis toen ze de kerk uitliep. Ze was samen met haar man; die is niet echt opvallend, een beetje het type goedzak. Schippers was hen achterna gelopen, maar kon hen buiten – waar zijn parochianen gewoon waren nog wat na te praten – niet vinden.

De regen striemt ons in het gezicht als we naar buiten gaan: ‘Zoud gij nie terugkeren, suske? ‘Kik red m’neigen wel.’

Leen wil me terugduwen het huis in maar ik duik onder haar arm door en ren lachend vooruit. ‘Ik ben nie van suiker!’

Niemand waagt zich op straat. Heel Casterlé lijkt uitgestorven.  Dan horen we de klok van Minderhout slaan en Leen zet het op een lopen. ‘Vijf uur reeds! Heinrich word om half 6 door de korporaal afgelost, we moeten rap zijn.’ Een eindje buiten het dorp trekt ze de bodemloze ton uit de struiken. ‘Nu g’er al gelijk zijd, kund u me helpen mee de ton. Kom, hier rechts is het prikkeldraad ne stukske open gewerkt.’

Ik tuur door de regen langs de grensdraad die onder stroom staat. ‘Is’t nie gevaarlijk mee al da water?’

‘Nee, mijn broer heefd me verzekerd da regenwater niet geleidt, maakt u geen zorgen. Alleen bij aanraking is al die nattigheid gevaarlijk. En als ik ‘em raak …’ Ze schrikt. ‘Kijk daar! Nen hond aan den draad!’

Ik wil ernaar toe lopen, maar Leen houdt me tegen. ‘Niet aanraken! Diejn hond staat nu gelijk den draad onder stroom. Kom mee. Hier moeten we zijn.’


27 september 1927

Veel gezeur over parochianen bij het dekenoverleg, waardoor we aan de bouwaanvraag niet toe zijn gekomen. De deken heeft beloofd het volgende week goed te maken. Ik ben er niet gerust op.

 Nee, die laatste zin hoort niet in zijn logboek thuis. Hij zet er ook niets in over zijn gesprek met van Kempen, zijn nieuwe collega uit Gestel. Hij vertelde tijdens het overleg dat de Vlaamse – nu is hij haar naam weer vergeten – ook bij hem langs is geweest met haar verhaal. Van Kempen is nog groen en heeft niet leren omgaan met dit soort vrouwen. Vrouwen die van elke mug een olifant maken en die de olifant dan nog weten op te blazen tot de proporties van een mammoet. Hij had het nota bene over homoseksualiteit! Hij moet werkelijk nog leren dat de relatie tussen vrouwen van een heel andere aard is dan die tussen mannen. Dat heeft niets met eros van doen. Daar til je niet zo hard aan.

Leen staat aan de andere kant van de Dodendraad en steekt haar arm door de ton, opdat ik haar hand nog even kan aanraken. Ik duw haar echter terug omdat ik het silhouet van een man ontwaar. ‘Gaat nu maar rap!’

Ze verstaat me niet en komt een stukje dichterbij. ‘Wat zegde ge? Het waait zo straf.’

Ik wil haar antwoorden, maar een windvlaag beneemt me de adem en ik schud lachend van nee. Even denk ik dat Leen verstart omdat ze boos is, maar dan zie ik haar rok verstrikt in de draad. In een reflex steek ik mijn hand naar haar uit. Dan hoor ik een schreeuw en houd me net op tijd in. Haar lichaam valt achterover. Aan de draad hangen alleen nog de verkoolde resten van haar kleed.

7 oktober 1927

Ze heette Maria Regina Van der Heijden. Vandaag heeft van Kempen haar begraven. In heilige grond, tegen mijn advies in. Hij heeft nog veel te leren.

Schippers pakt het briefje dat haar man hem na afloop van de begrafenis is komen brengen.

Er staan maar een paar woorden op: De dood heeft me ingehaald. O mijn God, vergeef ons onze schuld!

‘Hysterie’, prevelt hij, ‘duidelijk een geval van hysterie.’

One Reply to “D’n dodendraad”

  1. ben vandaag pas toegekomen (door mijn vakantie) aan het lezen van 3 ongelezen ruïnes. Dit verhaal over de dodendraad bezorgt me koude rillingen. Heel goed verteld, mooie tegenstellingen. Het pakt…..

    Ook die van vandaag, 17-5 gelezen over de laatste (?) versie van je boek. Leuk verteld, in de dialoogvorm, goed verwoord. Je wordt/bent goed, Alice!

    Dat stukje over Koningsdag is kort en meer mededelend…. Zit niet veel gevoel in. wat dat betreft springt de dodendraad er bovenuit.
    Liefs, Thea

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *